Het beroepsgeheim van juridische beroepen 2017-2018 56527708244840001386205576071900138620550406290013862049004300054038543180000Aïssatou Sarr Het beroepsgeheim van de advocaat Inhoudstafel TOC o “1-3” h z u HYPERLINK l “_Toc512172801” A

Het beroepsgeheim van juridische beroepen
2017-2018
56527708244840001386205576071900138620550406290013862049004300054038543180000Aïssatou Sarr
Het beroepsgeheim van de advocaat

Inhoudstafel TOC o “1-3” h z u HYPERLINK l “_Toc512172801” A.Afbakening en Situering PAGEREF _Toc512172801 h 2
HYPERLINK l “_Toc512172802” 1.Afbakening PAGEREF _Toc512172802 h 2
HYPERLINK l “_Toc512172803” 2.Situering PAGEREF _Toc512172803 h 3
HYPERLINK l “_Toc512172804” B.Aard van het beroepsgeheim PAGEREF _Toc512172804 h 3
HYPERLINK l “_Toc512172805” 1.Een recht en een plicht PAGEREF _Toc512172805 h 4
HYPERLINK l “_Toc512172806” C.Grondslag PAGEREF _Toc512172806 h 5
HYPERLINK l “_Toc512172807” 1.Wettelijke plicht PAGEREF _Toc512172807 h 6
HYPERLINK l “_Toc512172808” 2.Deontologische plicht PAGEREF _Toc512172808 h 7
HYPERLINK l “_Toc512172809” 3.Morele plicht PAGEREF _Toc512172809 h 8
HYPERLINK l “_Toc512172810” 4.(Buiten)contractuele plicht PAGEREF _Toc512172810 h 8
HYPERLINK l “_Toc512172811” D.Toepassingsgebied PAGEREF _Toc512172811 h 9
HYPERLINK l “_Toc512172812” 1.Ratione Materiae PAGEREF _Toc512172812 h 10
HYPERLINK l “_Toc512172813” 1.1Briefwisseling PAGEREF _Toc512172813 h 10
HYPERLINK l “_Toc512172814” 1.1.1Briefwisseling tussen advocaten PAGEREF _Toc512172814 h 11
HYPERLINK l “_Toc512172815” 1.1.2Briefwisseling met de cliënt PAGEREF _Toc512172815 h 12
HYPERLINK l “_Toc512172816” E.Sanctionering van het beroepsgeheim PAGEREF _Toc512172816 h 13
HYPERLINK l “_Toc512172817” F.Besluit PAGEREF _Toc512172817 h 16
HYPERLINK l “_Toc512172818” G.Bibliografie PAGEREF _Toc512172818 h 17

Afbakening en Situering
Afbakening
In het kader van deze paper zal er specifiek worden ingegaan op het beroepsgeheim van de advocaat. Het beroepsgeheim had in het verleden een absoluut karakter, deze werd genuanceerd in de loop der jaren. Wanneer de advocaat een partij verdedigt, krijgt deze belangrijke informatie mee. Deze informatie kan ook voor anderen van belang zijn. Met de nadruk op de verdediging van een partij, krijgt de advocaat immers belangrijke informatie meegedeeld, die voor andere belanghebbenden van groot belang kan zijn. De cliënt moet erop kunnen vertrouwen dat de informatie die hij gaf aan de advocaat geheim zal worden gehoudende door hem weergegeven informatie geheim zal worden gehouden.. Naast de cliënt is Het beroepsgeheim speelt is ook van algemeen belang voor de samenleving. de advocaat gehouden tot een geheimhoudingsplicht en bestaat het beroepsgeheim eveneens voor het algemeen belang van de maatschappij. Het bestaan van het beroepsgeheim bevindt zich in de rechten die aan de burger worden toegekend en die hij kan uitputten met hulp van een advocaat.
Wat het wettelijke gebied betreft, werd enkel een uitdrukkelijke bepaling opgenomen over de sanctionering in geval van een miskenning van het beroepsgeheim. In de eersteEerst plaats zal er een bespreking worden gemaakt over de principes van het beroepsgeheim, dit gevolgd door een uiteenzetting van het toepassingsgebied.
Het is belangrijk om op te merken dat de verklaring van Dde geheimhoudingsplicht bevindt zich voornamelijk vooral te vinden is in de rechtsleer en rechtspraak. De wetsleer biedt enkel een wetsartikel over de sanctionering bij een schending van het beroepsgeheim.
SitueringDe plicht van het beroepsgeheim vindt zijn grondslag in art. 458 SW. Oorspronkelijk bevinden zijn wortels zich in de Franse Code Pénal van 1810. In 1867 werd bij de opstelling van het Belgische Strafwetboek het Franse artikel 378 Code Pèn. omgevormd naar het huidige artikel 458 SW. Vandaar dat de erkenning van het huidige beroepsgeheim en de sanctionering ervan, zijn herkomst vindt in de Franse Code Pènal.
In het verleden had de instelling van het beroepsgeheim een privaatrechtelijk oogmerk, namelijk de bescherming van de ‘privacy’ van de burger tegen de onkiesheid van de dragers van het geheim.

In de 5de eeuw V.Chr. werd de eed inzake het beroepsgeheim al neergelegd door Hippocrates. Zijn eed was de volgende: “Ik zal, wat ik bij de uitoefening van mijn beroep ook zal horen of zien, of ook daarbuiten over het leven van mensen te weten kom aan dingen, die nooit bekend mogen worden, in stilzwijgen bewaren, en het beginsel hooghouden, dat dingen die mij zó bekend worden vallen onder de plicht van geheimhouding. Als ik deze eed trouw in acht neem en niet ontwijd, moge ik dan in mijn leven en in mijn kunst gezegend worden, en aanzien genieten bij alle mensen, te allen tijde, – maar als ik hem schend en meinedig word, dan wil ik het tegendeel ondergaan.”
Deze discretieplicht werd later aan iedereen in de medische sector opgelegd. In het Ancien Regime werd een schending van deze plicht gesanctioneerd door schadevergoedingen.
Aard van het beroepsgeheimHet beroepsgeheim raakt, volgens de traditionele opvatting, de openbare orde. Dit door het omwille van het vertrouwen dat er tussen de advocaat en cliënt moet heersen zijn en dat de cliënt moet toelaten vrijuit te spreken. Terwijl tegenover de rechtbank de rechten en verdediging eisen dat de advocaat zich op zijn beroepsgeheim kan beroepen en dat hij daarover volledig vrij is en in geweten kan oordelen.

Het feit dat, de traditionele opvatting beweert dat het beroepsgeheim van openbare orde is, zou ook impliceren dat de cliënt de advocaat niet van zijn beroepsgeheim kan ontslaan.

Algemeen wordt er aangenomen dat het beroepsgeheim van de advocaat uit de aard zelf van het beroep voorspruit en tot de essentie van dit beroep behoort. Dit, omdat het beroepsgeheim een essentiële waarborg uitmaakt van de rechten van de verdediging en dus de vrijheid van het individu en van de goede werking van het gerecht.
Het beroepsgeheim dekt ook het juridisch consult door een advocaat en wat een advocaat in dat kader of over de cliënt verneemt en de confidentie die hem daarbij wordt toevertrouwd.

Het gaat om één van de kernwaarden van het beroep, samen met de partijdigheid, de onafhankelijkheid, de integriteit en de deskundigheid.
Een recht en een plicht
De advocaat heeft het recht om zijn beroepsgeheim in te roepen en dus administratieve of gerechtelijke overheden inlichtingen te verschaffen die door dat beroepsgeheim gedekt zijn, hoewel dat recht er niet is ten overstaan van zijn disciplinaire overheden. Het Arbitragehof (thans het Grondwettelijk Hof) sprak van het beroepsgeheim als van een “waarborg die het beroepsheim voor schuldenaar en voor zijn advocaat betekent.”
Naast het recht tot het beroepsgeheim bestaat er ook een plicht op het beroepsgeheim.
De plicht tot het beroepsgeheim bevat enerzijds enkele uitzonderingen en anderzijds wordt het beroepsgeheim enkel gegarandeerd wanneer er aan twee voorwaarden is voldaan. De voorwaarden worden afgeleid uit de voorgemelde Cassatierechtspraak.

De eerste voorwaarde is de voorwaarde van het belang. De advocaat moet door de openbaring van de feiten een moreel of materieel nadeel kunnen veroorzaken. Het moet niet gaan om een daadwerkelijk verwezenlijkt nadeel, maar de mogelijkheid tot het veroorzaken van een nadeel is voldoende. Het nadeel kan niet enkel ontstaan in hoofde van de cliënt maar ook van andere belanghebbende.
De tweede voorwaarde is deze van de beroepsuitoefening. Enkel de feiten die de advocaat waarneemt in zijn hoedanigheid van advocaat zijn beschermd door het beroepsgeheim. De feiten die een advocaat verneemt buiten zijn hoedanigheid kunnen dus vrij worden aangewend. Wanneer er twijfel ontstaat over de hoedanigheid waarin de advocaat de feiten heeft waargenomen, is er in de rechtsleer sprake van het voorbehoud van het beroepsgeheim.

GrondslagDe grondslag van het beroepsgeheim bevindt zich tegenwoordig in art. 6 en 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Het beroepsgeheim is een algemeen beginsel dat verband houdt met de naleving van de fundamentele rechten.
Art. 6 EVRM waarborgt dat ieder recht heeft op de bijstand van een advocaat. Dit recht kan alleen worden gewaarborgd als de advocaat door de wet of door de overheid niet kan worden gedwongen om de geheimen die de cliënt hem toevertrouwt, prijs te geven.

Art. 8 EVRM waarborgt de onschendbaarheid van de briefwisseling tussen de advocaat en zijn cliënt en het kantoor van de advocaat.
De rechten en vrijheden gewaarborgd door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zijn van openbare orde. De rechter moet de schending ervan ambtshalve inroepen. Zij waarborgen immers de fundamentele rechten waarop iedere rechtszoekende aanspraak kan maken. Een schending heeft tot gevolg dat het proces tegen de betrokkene gebrekkig is en kan worden aangevochten.

Een wettelijke grondslag in het Belgische recht is overbodig omdat het EVRM deel uitmaakt van het Belgisch recht. Deze wettelijke verplichting wordt omgezet in een deontologische verplichting. Een schending van deze plicht zal tuchtsancties als gevolg hebben.

De regels die afwijken van de fundamentele rechten moeten strikt geïnterpreteerd worden rekening houdend met de wijze waarop het beroep van de advocaat in de interne rechtsorde is geregeld. Men mag pas afwijken van het beroepsgeheim als dit wordt verantwoord door een dringende reden van algemeen belang en als het opheffen van het geheim strikt evenredig is met dat doel.

Wettelijke plicht
De plicht tot het beroepsgeheim is geïmplementeerd in art 458 SW.: “Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte, of voor een parlementaire onderzoekscommissie, getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet, het decreet of de ordonnantie hen verplicht of toelaat die geheimen bekend te maken, worden gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en een geldboete van honderd euro tot duizend euro of met een van die straffen alleen.”
Advocaten worden in dit artikel niet expliciet uitdrukelijk genoemd. Toch wordt sinds het arrest 20 februari 1905 van het Hof van Cassatie de lijst niet limitatief strikt geïnterpreteerd en is de zwijgplicht van toepassing op “alle personen die een beroep of opdracht met vertrouwelijk karakter uitoefenen en die door de wet, traditie of gewoonten als noodzakelijke bewaarders worden beschouwd van de hen vertrouwde geheimen”. Ook magistraten vallen onder het toepassingsgebied van art. 458 SW. Dit werd bevestigd door het Hof van Cassatie naar aanleiding van het Fortisgate. Het Hof oordeelde dat rechters alle besprekingen tussen de magistraten en alle voorbereidende geschriften die het vonnis voorafgaan, met inbegrip van ontwerpen van vonnissen, onder het geheim van het beraad vallen. De schending hiervan maakt de schending van het beroepsgeheim door de rechter uit.

Deontologische plicht
In 1654 besliste een Engelse rechtbank het volgende: “A lawyer is not bound to make answer for things which may disclose the secrets of his client’s cause”. Sinds deze uitspraak wordt er aangenomen dat het beroepsgeheim van de advocaat voortvloeit uit de aard van het beroep zelf en het de essentie vormt van het beroep van de advocaat samen met de partijdigheid, de onafhankelijkheid, de integriteit en de deskundigheid. Zonder deze waarborg van het beroepsgeheim kan er geen vertrouwen bestaan.
Het beroepsgeheim kreeg door de Conseil Consultatif des Barreaux Européens (C.C.B.E) een Europese grondslag. De C.C.B.E is een representatieve organisatie die bestaat uit 45 lidstaten van de Europese Unie. Het aannemen van de gedragscode, die werd uitgevaardigd door de C.C.B.E., wordt verplicht ten aanzien van elk land dat lid uitmaakt van de C.C.B.E. Het beroepsgeheim wordt beschreven als een essentieel en fundamenteel recht en plicht van de advocaat. Vanuit dit oogpunt ligt de grondslag van het beroepsgeheim in de aard van het beroep zelf en niet in de strafwet die de naleving ervan eist, noch in de rechten van verdediging.
Vroeger hadden de regels van de Europese gedragscode formeel geen bindende kracht, ze werden slechts aanzien als aanbevelingen. Dit had tot gevolg dat de advocaten die hun beroep buiten de grenzen van hun land uitoefenden, enkel gehouden waren tot de eigen nationale regels.
Deze regeling beantwoordde niet aan het beoogde doel. De Europese gedragscode bleef enerzijds zonder doel, anderzijds was er een grote nood aan uniforme regels. Door de eerste bekrachtiging van de Europese gedragscode door de Algemene Raad van de Nationale Orde van Advocaten op 12 oktober 1989, werd gehoor gegeven aan de voormelde opmerkingen. Sindsdien werden ook de wijzigingen aan de Europese gedragscode goedgekeurd en geïmplementeerd in het Belgische rechtsstelsel.
Aangezien de eerbiediging van het beroepsgeheim niet enkel een strafrechtelijke verplichting maar ook een deontologische plicht is, heeft dit tot gevolg dat er tuchtrechtelijk kan gesanctioneerd worden zonder een strafrechtelijke vervolging.
Morele plichtIn dezelfde lijn als de deontologische plicht wordt de morele plicht erkend. Deze laatste plicht bestaat erin dat de advocaat het vertrouwen van de rechtszoekende niet mag schenden. De cliënt moet erop kunnen vertrouwen dat de informatie die hij aan de advocaat toevertrouwd niet wordt verspreid.
(Buiten)contractuele plichtOmdat het beroepsgeheim niet tot de private orde behoort heeft het geen contractuele basis. Dus kan de advocaat noch de cliënt erover beschikken en kunnen de cliënt noch zijn erfgenamen de advocaat ervan ontslaan. Ook wanneer de advocaat geen verplichting tot beroepsgeheim meer zou hebben, dan zou hij nog steeds het recht op zijn beroepsgeheim bewaren.
Het beroepsgeheim kan dus ontstaan voordat er een overeenkomst tussen de advocaat en zijn cliënt tot stand komt. Wanneer een advocaat een mogelijke cliënt ontvangt dan vallen diens identiteit, het feit dat hij een advocaat raadpleegt en de informatie die zijn mogelijke raadsman verstrekt reeds onder het beroepsgeheim. Dit ongeacht of hij met de advocaat in zee gaat en hem de behartiging van zijn belangen zal toevertrouwen in welk geval het beroepsgeheim een contractueel karakter zal hebben.
Het beroepsgeheim is een contractuele verplichting, die deel uitmaakt van de overeenkomst tussen de advocaat en zijn cliënt. Het beroepsgeheim maakt namelijk deel uit van de verplichtingen van de advocaat ten aanzien van zijn cliënt. Een schending van deze verplichting geeft recht op een schadevergoeding wegens contractuele wanprestatie.
De overeenkomst tussen advocaat en cliënt heeft een intuitu personae-karakter.Dit belet niet de advocaat een beroep kan doen op medewerkers; de advocaat blijft in dat geval persoonlijk aansprakelijk ten aanzien van zijn cliënt.

ToepassingsgebiedHet beroepsgeheim van de advocaat strekt zich uit tot wat hij heeft vernomen in de uitoefening van zijn beroep, niet tot wat hij heeft vernomen in een andere hoedanigheid.
Het beroepsgeheim van de advocaat dient drie belangen. De eerste belanghebbende van het beroepsgeheim is de cliënt van de advocaat. De cliënt moet de zekerheid hebben dat wat hij de advocaat toevertrouwd, dat deze informatie niet verder wordt verspreid. Dit geheim is breder dan de advocaat-cliëntrelatie. Het is dus niet vereist dat er een relatie is tussen de advocaat en de cliënt alvorens de rechtsbescherming een feit is. De rechtsbescherming is voltrokken voor al wat de advocaat professioneel verneemt, ook indien er uiteindelijk geen contractuele relatie ontstaat.

Wanneer er geen contractuele relatie wordt aangeknoopt dan is er ook geen mogelijkheid om afspraken te maken m.b.t. wat er met de informatie wordt gedaan. De cliënt kan met het recht aan zijn zijde beweren dat de informatie die hij met zijn potentiële advocaat heeft gedeeld, onder het beroepsgeheim van die advocaat viel.

De tweede belanghebbende is de advocaat. Het beroepsgeheim is er niet enkel om de (potentiële) cliënt te beschermen maar ook voor de advocaat is het een beschermde sluiter die hij kan aantrekken. Het beroepsgeheim is de zekerheid dat niemand hem kan dwingen om te spreken: niet de tegenpartij, niet het Openbaar Ministerie of rechter in de zitting. Niemand kan de advocaat dwingen zijn beroepsgeheim te schenden en zo de geheimen van zijn cliënt prijs te geven.
Tenslotte dient het beroepsgeheim de belangen van de samenleving. Wanneer de samenleving ijvert voor de rechtsstaat, dan staat de vrije advocatuur centraal. Een vrije advocatuur biedt die professionele diensten die de eerbied voor de rechtsregel verankeren zodat de maatschappelijke orde niet wordt verstoord met een gestructureerde schending van het vertrouwen dat tussen rechtzoekende en raadsman moet bestaan.
Dwang van het spreken leidt tot een samenleving van angst voor de overheid en haar (geheime) diensten. Een vrije en harmonieuze samenleving steunt op de ontplooiing van het vrije individu, beschermd tegen het dwingen.

Ratione MateriaeHet toepassingsgebied van het briefgeheim is erg ruim. Alles waarvan de bekendmaking de belangen van de betrokkene materieel en/ of moreel zou kunnen schaden kan als vertrouwelijk worden gezien.

BriefwisselingDe vertrouwelijkheid in de briefwisseling vindt zijn grondslag in het beroepsgeheim.
In het gemene recht kent de brief een dubbele bescherming. Ten eerste is er de onschendbaarheid van het beroepsgeheim. Dit is de bescherming tegen kennisneming door derden van elke onder gesloten omslag verstuurde brief. Zoals elk persoonlijkheidsrecht is die onschendbaarheid echter niet onbegrensd. De wetgever laat soms een aantasting toe van het beroepsgeheim. Zo hebben de Procureur des Konings en de onderzoeksrechrer in bepaalde gevallen de mogelijkheid om huiszoeking te laten verrichten in voor publiek niet toegankelijke plaatsen waarbij eventueel brieven als bewijsmateriaal bij een dossier kunnen worden gevoegd. Deze aantasting van de vertrouwelijkheid van briefiwisseling zou leiden tot een aantasting van de vertrouwensrelatie met de advocaat. (Kan je deze laatste zin nog wat uitleggen?)Ten tweede is er het recht tot niet-openbaarmaking. Dat beschermt tegen de onthulling aan derden van bet bestaan en/of de inhoud van vertrouwelijke brieven. Het vertrouwelijk karakter wordt beoordeeld aan de hand van het voorwerp van de briefwisseling en de hoedanigheid van de correspondenten. Door de hoedanigheid van de advocaat, gebonden door bet beroepsgeheim, is de brief zeker vertrouwelijk en mag de inhoud niet worden onthuld.
Briefwisseling tussen advocatenDe vertrouwelijkheid in de briefwisseling tussen advocaten wordt vaak in verband gebracht met het beroepsgeheim van de advocaat ondanks deze weinig met elkaar te maken hebben. Vooral het feit dat men de vertrouwelijkheid van de briefwisseling als een aspect van het beroepsgeheim beschouwt zou het een aanwijzing kunnen zijn om de advocaat te beschermen tegen ongewilde loslippigheid.

De briefwisseling tussen advocaten alsook hun gesprekken, faxen en e-mails zijn in België vertrouwelijk zelfs tot na de dood van hun cliënt voor zover het openbaar belang geen baat heeft aan de relevatie ervan. Het vertrouwelijke karakter vindt zijn grondslag in art. 444 Ger. W. Anderzijds wordt de grondslag van de correspondentie tussen advocaten gevonden in de Algemene Raad van de Nationale Orde van Advocaten. Dit reglement legt de nadruk op het algemeen bindend karakter dat advocaten onderling een geest van vertrouwen en samenwerking handhaven.
Het reglement is uitgevaardigd op 6 juni 1970 en aangepast op 6 maart 1980 en 22 april 1986. Het reglement luidt als volgt:
Artikel 1. De briefwisseling tussen advocaten is “vertrouwelijk”. Zelfs indien de advocaten betreffende het eens zijn, mag enkel overlegd worden met de toestemming van het Hoofd van de Orde.
De vertrouwelijkheid is de algemene regel, dit wil zeggen dat de briefwisseling tussen advocaten noch in rechte noch daarbuiten mag overlegd worden. Het gaat over elke mededeling, ook de mededeling van stukken en de bijlagen van de brief. Advocaten kunnen niet van deze regels afwijken mits toestemming van de stafhouder.

Elke mededeling die tussen advocaten is gedaan uit naam van een partij, verliest zijn vertrouwelijk karakter zodat ze zonder toestemming van de Stafhouder mag worden gebruikt wanneer ze bepaalde voorstellen behelst die onvoorwaardelijk uit naam van de andere partij worden aangenomen. De advocaat die deze mededeling gebruikt schendt het beroepsgeheim niet.
De traditionele regel van het vertrouwelijke karakter van de briefwisseling tussen advocaten, opgelegd in artikel 1 van het Reglement van de Algemene Raad van de Nationale Orde van 8 mei 1980 vormt een noodzakelijk complement aan het beroepsgeheim van de advocaat en is een onmisbaar instrument voor de uitoefening van het beroep waar het de onderhandelingen met het oog op een minnelijke regeling van het geschil bevordert. Om deze dubbele reden is de regel van openbare orde.

Omdat het beginsel van de vertrouwelijkheid van de briefwisseling enkel wordt erkend in België, Frankrijk, Griekenland, Italië, Portugal, Luxemburg en Spanje stelt de gedragscode voor de advocaten van de Europese Unie dat de advocaat die aan een advocaat van een andere lidstaat een melding doet toekomen duidelijk bij de zending moet te kennen geven dat hij die melding als “vertrouwelijk wil beschouwen zo niet is de mededeling officieel. Wanneer de geadresseerde dit vertrouwelijk karakter niet aanvaardt dan moet hij de mededeling terugsturen zonder de inhoud ervan bekend te maken.
Briefwisseling met de cliëntDe briefwisseling tussen advocaat en cliënt is in principe vertrouwelijk en wordt gedekt door het beroepsgeheim. Het beroepsgeheim waarborgt enerzijds het belang van de geheimgerechtigde en anderzijds het algemeen belang met het oog op een doelmatige en geloofwaardige beroepsuitoefening. Hieruit valt af te leiden dat een advocaat niet door zijn cliënt kan worden ontslagen van zijn beroepsgeheim.
Een brief door een cliënt aan zijn raadsman geschreven, kan niet door een andere partij of een derde in rechte worden voortgebracht. De kopij van een brief van de tegenpartij aan diens raadsman is vertrouwelijk en moet uit de debatten worden geweerd.
Een brief door een advocaat gericht aan zijn cliënt is strikt vertrouwelijk, onafhankelijk van de wijze waarop zij in handen van een derde kon vallen. Het principe dat het geheim van de briefwisseling tussen advocaat en zijn cliënt is beschermd is van openbare orde.

Het in beslag nemen van dergelijke brief is een substantiële nietigheid gezien het de rechten van verdediging schendt.
Sanctionering van het beroepsgeheimArtikel 458 SW. bestraft advocaten die de geheimen die hen werden toevertrouwd bekendmaken, met correctionele straffen, buiten het geval dat zij geroepen worden in rechte of om voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en het geval dat het hen wordt verplicht die geheimen bekend te maken.
Deze bepaling verbiedt een schending van het beroepsgeheim, tenzij in de gevallen bepaalt in het artikel. Op grond van deze grondslag is het dus verboden om toevertrouwde geheimen bekend te maken, tenzij in de hierboven beschreven gevallen.
Een miskenning van artikel 458 SW. houdt enerzijds een professioneel in en anderzijds een opzettelijk misdrijf in.

Een professioneel misdrijf is een misdrijf dat enkel kan worden gepleegd door iemand aan wie geheim werden toevertrouwd uit hoofde van zijn beroep.
Anderzijds gaat het om een opzettelijk misdrijf. Een loutere bekendmaking van de toevertrouwde geheimen is voldoende. Er is dan ook geen bijkomend bijzonder opzet vereist.

De wet stelt de advocaat vrij van vervolging wanneer hij moet getuigen in rechte of voor een parlementaire onderzoekscommissie.

De uitzonderingen van artikel 458 SW. betreffen een niet-strafbaarstelling: de advocaat mag maar moet niet spreken. Wanneer het in het doorslaggevend belang van zijn cliënt is, zou de advocaat kunnen getuigen. Hoewel het beter is dat niet te doen. Want wanneer advocaten van de regel van hun beroepsgeheim afstappen als dat hun cliënt goed uitkomt, zouden die keren dat zij dat niet doen om welke reden ook al snel geïnterpreteerd kunnen worden als het bewijs dat zij bezwarende geheimen van hun cliënt hebben te verbergen.
Ook artikel 458bis SW maakt uitzonderingen. De advocaat heeft een meldingsrecht wanneer hij kennis krijgt, via derden of via de dader, van mogelijke misdrijven tegen personen die kwetsbaar zijn ingevolge van hun leeftijd, zwangerschap of een ziekte. Het beroepsgeheim moet in dit geval blijven gelden en de uitzondering die de wet maakt is niet van toepassing op de advocaat van de dader, althans voor de informatie die deze zelf heeft verstrekt.

In artikel 458 en 458bis SW is er enkel ontslag van de verplichting en niet van het recht tot het bewaren van het geheim. Het gaat hier dus enkel over het ontslag van de wettelijke verplichting.
De schending van het beroepsgeheim kan aanleiding geven tot een burgerlijke aansprakelijkheid. Afhankelijk van de casus zou men kunnen zeggen dat er sprake is van een resultaatsverplichting.

Bij een resultaatverbintenis is er sprake van een wanprestatie in de hoofde van de schuldenaar van zodra het beloofde resultaat niet wordt bereikt. De cliënt moet enkel het bestaan van de verbintenis bewijzen en het uitblijven van het resultaat. De advocaat zal slechts aan zijn aansprakelijkheid kunnen ontsnappen indien hij er in slaagt een vreemde oorzaak te bewijzen die het bereiken van het resultaat onmogelijk maakte. In tegenstelling tot de resultaatsverbintenis dient bij de middelenverbintenis de cliënt het bewijs van de fout te leveren en kan hij er zich niet toe beperken te wijzen op het ontbreken van het beloofde resultaat.

De advocaat heeft een resultaatverbintenis in het meer formele aspect van zijn tussenkomst, dit is het eerbiedigen van vormvereisten en termijnen. En een middelverbintenis ten aanzien van
het inhoudelijke aspect van zijn optreden. Dit heeft betrekking op het intellectuele werk en het pleiten.
Om de uitvoering van een resultaatsverbintenis te kunnen waarborgen zal de advocaat soms een voorafgaande middelenverbintenis moeten naleven, met name wanneer hij dient te bepalen tegen wanneer of op welke wijze een formaliteit moet worden vervuld of een handeling moet worden gesteld.Ook kan er sprake zijn van een burgerrechtelijke sanctie overeenkomstig de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Op grond van deze artikelen kan men een schadevergoeding eisen, indien men het bewijs kan leveren van een fout, de schade en het causaal verband. Het Hof van Cassatie verdedigt het standpunt dat een extracontractuele vordering niet geldt wanneer tussen de partijen een contractuele relatie bestaat. Er is een uitzondering op dit samenloopverbod. Indien een advocaat een inbreuk pleegt op een bepaling uit het Strafwetboek, heeft iedere belanghebbende het recht om een vordering in te stellen overeenkomstig met de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.
Omdat het om een deontologische plicht gaat, kan een schending van het beroepsgeheim tuchtrechtelijk gesanctioneerd worden. De cliënt moet kunnen rekenen op volledige geheimhouding dus zijn in principe in het geheel geen mededelingen toestaan aan derden of aan de media, geen commentaar, tenzij mits onvoorwaardelijke toestemming van de cliënt vooraf.

Een advocaat kan bijvoorbeeld geen interviews geven aan verschillende kranten over een gesprek dat hij in de gevangenis voerde met een verdachte en de redenen waarom hij uiteindelijk niet diens verdediging op zich nam.

Het is tuchtrechtelijk zonder belang of deze schending een strafrechtelijke inbreuk uitmaakt. Het tuchtrecht is namelijk autonoom en niet afhankelijk van een strafrechtelijke kwalificatie.

Een laatste sanctionering is wanneer een bewijs werd bekomen met inbreuk op het beroepsgeheim. Deze kunnen niet bijdragen tot een burgerlijke, administratieve, fiscale of strafrechtelijke veroordeling. Het kan niet in rechte worden gebruikt, wat strijdig zou zijn met het recht op een eerlijk proces.
Gebruik als bewijs van gegevens gedekt door het beroepsgeheim maakt dus altijd een onrechtmatig bewijsmiddel uit, wat ook van toepassing is op het bewijsmateriaal dat voortvloeit uit die ongeoorloofde bewijzen en moet steeds door de rechter uitgesloten worden, zowel in het burgerlijke als administratieve, in straf-en fiscale zaken. Zo kan de rechter geen erkenning van schuld afleiden uit de briefwisseling tussen een beklaagde en zijn advocaat.
De identificering van een persoon op grond van vertrouwelijke informatie verkregen van een advocaat is ongeldig.

Ook de Antigoon-rechtspraak laat geen andere interpretatie toe. Dergelijk bewijs is onrechtmatig in se ongeacht de rechtmatigheid van de verkrijging ervan en de vraag of de verkrijger al dan niet zelf door het beroepsgeheim gehouden is.
BesluitHet beroepsgeheim is niet enkel een plicht maar ook een recht. Het is een onvervreemdbaar recht voor de burger en is een essentiële waarborg voor de rechtsbescherming in een democratische staat.
Het beroepsgeheim vindt haar grondslag in art. 6 en 8 EVRM en haar sanctionering bevindt zich in art. 458 SW.
Hoewel het beroepsgeheim essentieel is in de uitoefening van het beroep van advocaat, wordt de geheimhoudingsplicht in enkele gevallen ondergeschikt geacht aan andere bijzondere belangen.
Bibliografie
Wetgeving
Europees
Art. 6 en 8 EVRMC.C.B.E.- gedragscode voor Europese advocaten van 26 mei 2006, BS 21 februari 2007.
Nationaal
Art. 10 Wet 30 juni 1996 tot wijziging van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek en art 458 van het Strafwetboek, BS 16 juli 1996.
Art. I.3.1.1. Codex Deontologie voor advocaten, BS 30 september 2014.
Rechtspraak
Europees
HvJ 14 september 2010, nr. C-550/07 P, Akzo Nobel Chemicals Ltd. en Akcros Chemicals/Commissie e.a. (vindplaats: Curia)
Nationaal
Arbitragehof 3 mei 2000, nr 46/2000, BS 8 juni 2000.
GwH 26 september 2013, nr. 2013/127, NjW 2014, afl. 298, 211.

Cass. 12 maart 1980, JT 1981, 359 en Pas. 1980., I, 858.
Cass. 15 maart 1948, Pas. 1948, I, 149.
Cass 12 december 1985, Arr. Cass 1985-86, 533Cass. 27 november 2000, Arr. Cass. 2000-01, noot G. Ballon.
Cass. 18 oktober 2001, A.R. C.99.0021.N.

Cass. 13 maart 2012, P.11.1750.N
Rechtsleer
Nationaal
Depuydt, P., De aansprakelijkheid van advokaten, Antwerpen, Kluwer, 1993, 125 p. (vindplaats: Katholieke Universiteit Leuven)
Depuydt, P., De aansprakelijkheid van de advocaat, Brussel, Larcier, 2006, 267 p. (vindplaats: VUB Bibliotheek)
De Puydt, R. M., Overzicht van de rechtspraak professioneel recht advocatuur, TPR 1980, 929 p.

DE PUYDT, R. M., Deontologie van de advocaat, Antwerpen, Intersentia, 2006, 221 p. (vindplaats: Katholieke Universiteit Bibliotheek)
DE PUYDT, R. M., Deontologie van de Vlaamse advocaat, Antwerpen, Intersentia, 2009, 263 p. (vindplaats: Katholieke Universiteit Leuven)
Geens, K., Het vrij beroep, onuitg. Doctoraathesis Rechten KU Leuven, 1986, xx +640 p. (vindplaats: Katholieke Universiteit Leuven)
Janssens, E., Deontologie juridische beroepen, Brussel, Larcier, 2015, 259 p. (vindplaats: VUB Bibliotheek)
Kiganahe, D. en Poullet, Y., Le secret Professionnel, Bruxelles, La Charte, 2002, 285 p. (vindplaats: VUB Bibliotheek)
Lambert, P., Le secret professionnel, Nemesis, Bruxelles, 1985, 321 p. (vindplaats: VUB Bibliotheek)
Lambert, P. Secret Professionnel, Bruylant, Brussel, 2005, 369 p. (vindplaats: VUB Bibliotheek)
JANSSENS, E., MEERTS, J., Het beroepsgeheim van de advocaat in Europese context, Gent, Larcier, 2003, 232 p. (vindplaats: VUB Bibliotheek)
Orde van Vlaamse Balies, Handboek voor advocaat-stagiair, Brussel, Kluwer, 2011-12, 619 p. (vindplaats: Katholieke Universiteit Leuven)
Stevens, J., Advocatuur: Regels en Deontologie, Antwerpen, Kluwer, 2015, 1389 p. (vindplaats: VUB Bibliotheek)
STEVENS, J., Regels en gebruiken van de advocatuur te Antwerpen, Antwerpen, Kluwer, 1990, 824 p. (vindplaats: VUB Bibliotheek)
Bijdrage in tijdschriften
Allemeersch, B., Het toepassingsgebied van art. 458 SW. Over het succes van het beroepsgeheim en het geheim van het succes, RW 2003-04, 1-19 p. (vindplaats: VUB Bibliotheek)
Buyle J. en Van Gerven, D., Le fondament et la portée du secret professionnel de l’avocat dans l’intérêt du client, JT 2012, 327-330 p. (Vindplaats : Jurasquare)LINDEMANS, D., Rechterlijk toezicht op overlegging in rechte van briefwisseling tussen advocaten, RW 2008-09, 818-822 p. (Vvindplaats: VUB Bibliotheek)
REUMONT, E., La frontie?re du secret, JT 1965, 277 p. (Vvindplaats: VUB Bibliotheek)
SCHOORENS, G., De vertrouwelijkheid van de briefwisseling tussen advocaten, Jura Falc. 1990-91, 39-66 p. (Vindplaats: Jura Falconis)Van Gerven, D. en Buyle, J., Grondslag en draagwijdte van het beroepsgeheim van de advocaat in het belang van de cliënt., RW, 2011-12, 1662-1668 p. (vindplaats: VUB Bibliotheek)
VAN DER STRAETE, I. en PUT, J., Het gedeeld beroepsgeheim en het gezamenlijk beroepsgeheim -halve smart of dubbel leed?, RW 2004-05, 41-59 p. (Vvindplaats: VUB Bibliotheek)
VAN GOETHEM, H., Het beroepsgeheim van de advokaat, Jura Falc. 1981-82, 205-218 p. (Vvindplaats: Jurasquare)
Verzamelwerken
Hofströssler P.,”Beroepsgeheim, geheim van het onderzoek en persmeldingen door een advocaat” in Rozie, J., Deruyck, F. (eds.), Geboeid door het strafrecht: de advocaat en de rechtspleging, Gent, Larcier, 2011, 33-59 p. (vindplaats: VUB Bibliotheek)
Online bronnen HYPERLINK “https://www.ordomedic.be/nl/orde/artseneed/eed-hippocrates” https://www.ordomedic.be/nl/orde/artseneed/eed-hippocrates. HYPERLINK “http://www.ordomedic.be” www.ordomedic.be.